Twintig

Vorige zondag liep ik voor de eerste keer 20 kilometer. 20,4 om precies te zijn. Zomaar. Dat het wel ok zat met mijn conditie wist ik eigenlijk wel. Maar dat getal, die 20, dat leek zoiets mythisch.

De dag voordien kocht ik nieuwe loopschoenen. Dat was nodig: mijn oude paar viel zowat uiteen. In de loopschoenenwinkel moest ik de loopband op, zo gaat dat daar. (‘Hé, hé, hier blijven!’, lachte de vriendelijke man van de winkel toen mijn loopje niet helemaal synchroon bleek met het ingestelde tempo.)

Zondag dan. Nieuwe loopschoenen, loopbroek, ipod vol muziek, licht maar stevig ontbijt: check.

Dat begon vlot. En dat bleef ook vlot gaan. Na een halfuur had ik wel al spijt van de trui die ik aanhad, want in de zon was het warmer dan verwacht. (Uit de zon ook, trouwens). Na kilometer 13 begon ik te twijfelen. Voelde ik me niet wat moe? En had ik geen verschrikkelijke dorst? Kon ik niet gewoon een stuk van m’n route inkorten en terug naar huis lopen? Net op dat moment begon met ‘Be above it’ en daarna ‘Endors toi’ Tame Impala’s fantastische plaat ‘Lonerism’. Opeens was ik niet meer moe en liep ik, wat zeg ik, zweefde ik verder. Tweede adem: check!

Die schoenen deden het prima. Die benen ook. Om nog maar te zwijgen van de longen en het hart. En opeens kwam dat mythische getal, twintig, echt in het vizier.

Opmerkelijk: geen echte vermoeidheid, geen pijnlijke benen of knieën. Wel: een belachelijke smile op mijn gezicht waardoor ik minstens één voorbijganger heb doen glimlachen. (Check!)

Twintig komma vier, en ik stond weer voor mijn deur. 1 uur en 45 minuten onderweg geweest.

Fraai was dat! En vooral: meer van dat!

Advertentie

Datzelfde jongetje van 25 jaar geleden.

Wat ik gisterenavond, iets voor 7, te zoeken had in Antwerpen? Vooreerst zocht ik de Groenplaats. Die vond ik, net op tijd. En op de 5e verdieping van een gebouw daar vond ik het auditorium waar ik een afspraak had met een Vlaamse blog- en storytellinggoeroe. Jazeker, dat leest u goed. Geen paniek echter, ik was daar voor mijn werk.

Ik behoorde tot het oudere segment van het publiek. Er werden mopjes gemaakt zoals ‘Marie Thumas, ja, dat zullen de ouderen onder ons nog wel herinneren!’ en ‘Ooit bleef ik bij het zappen hangen bij een concert van Portishead. Ik weet het, dat is muziek van vroeger!’ Volgens mij keek de bloggende man die aan het woord was dan toch wel eens in mijn richting, al kan het ook zijn dat ik me dat inbeeldde. Hoewel. Die andere gastjes zagen er écht wel piepjong uit en ik denk niet dat ze naar Portishead luisterden.

‘Rijdt er hier iemand met een BMW?’, de jonge snaak naast mij knikte grijnzend.

Op zulke momenten besef ik dat ik eigenlijk nog altijd datzelfde jongetje ben van 25 jaar geleden. Ik vind dat geen slechte zaak. (Ook dat ik niet met een BMW rijd, laat staan autoloos ben, vind ik geen slechte zaak.)

Natuurlijk ging het vooral over marketing en verhalen brengen en authenticiteit en emoties. En natuurlijk is het een illusie om te denken dat je als individu ontsnapt aan die mechanismen. En ja, natuurlijk is er een markt voor jongemannen (ja toch?) die geen vlees eten en geen auto hebben en tijdelijk een kat adopteren en hun geld voornamelijk spenderen aan boeken, platen, concerten films, notitieboekjes en vulpeninkt. In sommige middens zijn bepaalde vouwfietsen hetzelfde als een BMW. Of we niet allemaal af en toe last hebben van statusangst?

Na afloop vond ik het station snel terug. Zwak als ik ben liet ik me verleiden tot het kopen van een drankje in een zaak met geen te beste reputatie. Marketing!

De trein die me huiswaarts bracht werd begeleid door Redcap Johan. Over het NMBS-personeel ga ik niet klagen, en Redcap Johan moet zowat de meest vriendelijke en enthousiaste kaartjesknipper van het moment zijn!

Zo pendelde ik, sneller dan verwacht, eigenlijk, terug naar Tobbackville, terwijl ik het droeve maar o zo mooie en ontroerende verhaal van Chunky Rice las.

Even was er wat opschudding, toen de trein onderweg weer vertrok en Redcap Johan nog op het perron stond. Er was een verbaasde blik en er werd geroepen van ‘Ho ho ho!’ en ‘He he!’ en toen hij er in slaagde op de trein te springen lachten en glimlachten de mensen opgelucht, want zo’n trein zonder begeleider, dat is toch maar niks.

Thuis werd ik uitgebreid begroet en geknuffeld. Door de kat. Tot hij vond dat het allemaal te lang duurde eer ik met dat eten op de proppen kwam, en hij me begon te bijten. Of misschien was dat niet uit ongeduld. Alhoewel.

Katten, die doen ongetwijfeld ook aan marketing.

(Midori)

Ik liet vanochtend voor de verandering de fiets thuis. Het was een frisse ochtend. Met wandelen gaat alles een beetje trager en je hebt meer tijd om details op te merken. Het parfum van de mevrouw voor mij. De sjaal van de straatveger, hij laat een stofwolk opwaaien die in mijn ogen prikt. De zon die het stationsgebouw in de verte doet gloeien.

Ik hoorde op de radio het vreemde, droeve maar ook ontroerende verhaal van Midori en haar ouders, die sinds wat er 3 jaar geleden in Fukushima gebeurde 50 km verderop hun vroegere dorp wonen. Echt terugkeren, dat is geen optie. Maar af en toe mogen ze nog eens naar wat hun woonplaats, huis, thuis was. Ze vertelde hoe de natuur verwildert. Wilde dieren die opduiken in de tuin. Straten die langzaam overwoekerd worden.

Die Midori Tagawa, die sprak een aardig woordje Nederlands, maar op de radio zei niemand waarom en hoe. Woont ze hier sinds de ramp? Of is ze al langer hier? Het maakte het verhaal nog aandoenlijker.

“I really like you, Midori. A lot.”
“How much is a lot?”
“Like a spring bear,” I said.
“A spring bear?” Midori looked up again. “What’s that all about? A spring bear.”
“You’re walking through a field all by yourself one day in spring, and this sweet little bear cub with velvet fur and shiny little eyes comes walking along. And he says to you, “Hi, there, little lady. Want to tumble with me?’ So you and the bear cub spend the whole day in each other’s arms, tumbling down this clover-covered hill. Nice, huh?”
“Yeah. Really nice.”
“That’s how much I like you.”

(Haruki Murakami, Norwegian Wood)

De kat die me toesprak.

Doen alsof. Alsof ik me niet erger aan dat gekweel en getater naast mij terwijl ik probeer te lezen. Concentratie! Doen alsof ik die man met het grijze haar niet volgde tijdens het lopen vanochtend (wat, dat volgen dus, resulteerde in de aangename ontdekking van een stuk relatief verborgen bos). Evengoed doen alsof ik er geen probleem mee heb me op zoveel dingen tegelijk te focussen.

Onzin, natuurlijk. In de fotografie leidt zoiets vaak, maar zeker niet altijd, tot een vlak beeld. Of, ruimer gezien, tot iets erger: ruis. Al hoeft ook daar niets mis mee te zijn. Ruis.

Doen alsof dus. Structuur en routine en principes. Tot je op een dag wakker wordt, in de spiegel kijkt, ernstig fronst, en de kat luidop lijkt te zeggen: “Stop nu eens met alles op jezelf te betrekken.”

Het sterke is dat, als je maar lang en hard genoeg doet alsof, dingen echt zo worden. Percepties. Gedragingen. Verwachtingen. Ik zeg maar wat. Dat werkt helaas in twee richtingen. Soms menen we dat we bang moeten zijn. Soms zijn we ook gewoon bang. Een gevolg van iets dat gebeurd is. Een slechte herinnering. En soms worden we bang en houden we ons voor dat het maar best is dat te blijven. Ook al houdt dat ons tegen.

Gisteren zag ik ‘The Reader’, op Canvas. Een hartverscheurende film over de affaire (zoals dat dan heet) tussen Michael, een jonge snaak en Hannah, een iets oudere dame. Over liefde zonder duidelijke vooruitzichten, de troost van boeken, ontroering, vertwijfeling, afscheid, pijn en tranen, tijd. Over de dingen die onherroepelijk voorbij gaan.

Intermezzo: De kat trok een volle emmer water om. Kleine overstroming. Gemor, gedweil, uit concentratie, enzovoort.

En dan, opeens, als ik terug voor de tv sta, zegt de onervaren, 16-jarige Michael:

“I’m not frightened. I’m not frightened of anything. The more I suffer, the more I love. Danger will only increase my love. It will sharpen it, it will give it spice. I will be the only angel you need. You will leave life even more beautiful than you entered it. Heaven will take you back and look at you and say: Only one thing can make a soul complete, and that thing is love.”

Die tv, eigenlijk gaat die zelden tot nooit aan. En zie.

Maar goed. Uiteindelijk is er alleen maar toeval. En afhankelijk van onze gemoedstoestand gaan we daar, al dan niet bewust, betekenis aan proberen te geven, willen of niet.

Nee?

Watching the sky turning to morning.

Soms doe ik er wel eens onnozel over. Dat pendelen. Onterecht. Het is zoals met ‘meisjes plagen is liefde vragen’. Die dagelijkse treinritten, ik zou ze niet willen missen. Vooral dat ochtendlijke gereis. Zeker nu, nu de dagen al vroeger aanbreken en de kleur van de lucht niet anders dan met ‘ochtend!’ omschreven kan worden.

Meestal plof ik snel neer en haal ik een boek boven. Dat is na ongeveer 10 jaar een reactie van Pavloviaanse aard geworden: treinen, daar horen boeken bij. En muziek. Dus ook: oortjes. Asociaal? Misschien wel. Ik heb een excuus. Verschillende dingen tegelijkertijd, dat vind ik maar niks, tenzij ik zelf kies wat er op mij afkomt. Muziek, bijvoorbeeld, terwijl ik lees. Dat gaat prima.

‘Is dat nu nog niet uit?’, werd me eerder deze week gevraagd.

Geen reden tot verdediging, eigenlijk, maar toch ging ik over tot een opsomming van waarom. Waarom ik niet altijd tijd heb om te lezen. Omdat ik ga lopen, bijvoorbeeld. Of ga zwemmen. Of me met andere, meer en minder noodzakelijke dingen bezighou. Werk. Huishoudelijke klusjes. Sociale contacten. Familie. Gesprekken met vrienden. Muziek maken. Een kat in bedwang houden.

Dat lopen en zwemmen, dat bleef hangen.

‘Je hebt een probleem’, was de droge vaststelling. Eerst dacht ik nog dat het ging over dat verhaal van die blessure die ik vorig jaar had opgelopen. Neen. Het ging over dat bijna dagelijkse gesport van mij.

Daar kwam de volgende vraag: ‘Waarom, eigenlijk?’

Goede vraag.
Omdat ik het graag doe? Omdat het me helpt de dingen die in mijn hoofd zitten op orde te zetten? Omdat het een vorm van mediteren is? Omdat het verslavend werkt? Omdat het energie geeft? Omdat ik van de discipline hou?  Omdat het iets is wat ik goed kan? En, ok, omdat ik mijn conditie op peil wil houden?

Of het daarom zo maniakaal moet?
Nee. Waarschijnlijk niet.

De vraag is dan eerder: wanneer is of wordt iets ‘problematisch’?

Enfin. Gisteren heb ik me ingehouden. Geen geloop of gezwem. Vanochtend trok ik trouw m’n ochtendlijke baantjes in een bijna leeg zwembad. En toen ik aan de deur stond te wachten keek ik naar boven en spontaan dacht ik aan een zin die ik de avond voordien las:

“Half an hour later he was still awake (…), watching the sky turning to morning.” (R. Yates, Revolutionary Road, p. 241)

Over de chocoladecaramelbrownie die troost bracht

Deze morgen werd ik verwacht bij een dokter. Dat zat namelijk zo: op vrijdag 13 september kwam ik al fietsend onzacht in aanraking met het wegdek. Een dom verhaal, met een gebroken wijsvinger als aandenken. En omdat het, ik was op weg naar, een arbeidsongeval was, moest ik me vanochtend dus aanmelden bij de dienst Medische Expertise.

Een aparte ervaring: ten eerste bleek die dienst in volle verbouwing, ten tweede had ik geen enkel idee waar ik moest zijn en ten derde was er ook niemand. Correctie: niemand, op enkele besnorde werklieden na die angstvallig elk oogcontact vermeden. Na wat omzwervingen vond ik een soort loket. Ik belde aan (één keer, want zo stond het op het briefje dat op het matglazen raam hing), hoorde gestommel en uiteindelijk werd het raam opzijgeschoven. Een vriendelijk gezicht, een blik op mijn verfrommelde brief, en dat ik aan de andere kant moest wachten. Zijnde: een gigantische, lege wachtzaal. Type luchthaven.

Na een kwartier te hebben gewacht werd ik geroepen. (Op hoeveel manieren kan je mijn familienaam uitspreken? Minstens 3, zo bleek.) De dokter nam met ernstige blik de documenten die ik haar overhandigde door. ‘U bent gevallen! Met de fiets!’, las ze ferm. En ik moest mijn vinger -‘Welke was het eigenlijk?’- strekken en plooien en dan duwde ze overdreven voorzichtig op mijn kootje. ‘Goed. Dan beschouwen we dat als geconsolideerd! U kan uw werk doen, nietwaar? Geen economische beperking, dus!’ Dossier afgesloten, stempel, een kleffe handdruk en daar nam ik de verkeerde deur naar buiten en belandde in een kleedkamer. (Daar moest ze om lachen.)

Ik was net te laat in het station om de trein die exact een uur later vertrekt dan de trein die ik anders neem te halen. Maar dat was niet erg.

’s Middags maakte ik een wandeling in de lentezon. Struinen door de stad, het urbane type uithangen, we gaan daar niet over liegen: ik doe dat wel eens graag. Ik passeerde een koffiebar op de Naamsestraat en kon niet anders dan er te stoppen voor een espresso. Het rook er naar truffel. En toen: een chocolade-caramelbrownie. Die riep. Dus kocht ik ‘m. Ik had spijt dat ik geen boek bij mij had.

Ik herinnerde me wat mijn collega de dag voordien gezegd had. Iets over eten en mindfullness. Voor alle duidelijkheid: ik ken daar niets van. Van mindfullness. Ze wist me te vertellen dat een onrustige geest krokante dingen verlangt. En een droeve zachte, zoete spullen. Als troost. Ieder zijn ding, zeg ik dan.

Daar stond ik, met een beetje hoofdpijn van die overdaad aan suikers. Alles valt te verklaren. Meestal toch. Ik had gewoon zin in een brownie in de lentezon.

Musiques Insolites: Jos Smolders en Asmus Tietchens (28/11/2010)

Er zijn grosso modo twee soorten mensen: zij de van ‘rare muziek’ houden, en zij die het van ‘rare muziek’ op hun heupen krijgen. De tweede groep had op zondagnamiddag, 28/11 weinig te zoeken in de Passage Charles Rogier, waar Les Ateliers Claus tegenwoordig huis houdt. Alhoewel, de afwezigen hadden ongelijk!

Onder de naam Musiques Insolites organiseert Les Ateliers Claus i.s.m. Metaphon concerten/performances van muzikanten/geluidskunstenaars die ongewone muziek brengen.. Deze keer waren de componisten Jos Smolders en Asmus Tietchens uitgenodigd voor een zondagsmatinee. (Uitstekend idee overigens, zulke matinees!)

Hoewel eerder frisjes was het best gezellig: kussens werden uitgedeeld, de aanwezigen nestelden zich neer. De waterkoker borrelde, handen werden verwarmd aan een glas thee, en op de achtergrond weerklonk het uitstekende ‘As the sun kissed the horizon’ uit het al even uitstekende album van Biosphere, ‘Substrata’.

Jos Smolders (°1960) mocht de spits afbijten. De Nederlander houdt zich voornamelijk bezig met sounddesign en is tevens de drijvende kracht achter EARlabs.  Hij bracht een performance waarbij gebruik gemaakt werd van 4 luidsprekers, één in elke hoek van de zaal. Zowel abstracte geluiden als de menselijke stem (weliswaar gesampled en vervormd), werden aangewend. Een bevreemdend effect, zeker in combinatie met de 4 luidsprekers, waardoor het geluid een bijkomende, ruimtelijke dimensie kreeg. Helaas kon Smolders z’n performance niet volledig brengen, wegens een falende laptop (“System crashed twice. I think because of the loud low freqs. Happened each time I used a heavy 50hz bass.“, zo schrijft hij op z’n site). Gelukkig had hij al een groot deel van z’n optreden kunnen afwerken alvorens zijn computer de geest gaf.

Recent werk van Jos Smolders kan je via volgende link beluisteren:

Asmus Tietchens (°1947) is in de ‘rare-muziek-middens’ allesbehalve een onbekende. De Duitser begon in de jaren ’60 te experimenteren met tapeloops, reverb en gitaar. Al snel spitste hij zich toe op zogenaamde ‘atonale muziek‘ en ‘musique concrète‘. In de jaren ’80 maakte hij verrassend toegankelijke (pop)muziek, om zich nadien weer helemaal toe te leggen op abstracte composities. Hij heeft talloze platen/cd’s en cassettes uitgebracht en is naast componist ook docent (design, communication design and sound research) aan de Hochschule für angewandte Wissenschaften Hamburg (HAW). Hij won verscheidene prijzen, waaronder de Karl-Sczuka-Preis für Akustische Kunst en steekt niet onder stoelen of banken dat hij een autodidact is:

No studies, no academic education no scholarships just pure learning by doing = self-taught appropriation of creative skills and handling of analogue and digital studio technology. I am my own Tonmeister.

Asmus Tietchens, Les Ateliers Claus (28/11/2010)

Tonmeister, dat is wel het minste dat je van hem kan zeggen. Een computer gebruikt hij niet, een sampler evenmin. Zijn composities bestaan voornamelijk uit abstracte geluiden (sinusgolven) met occasioneel ‘concreet geluid’, zoals het geluid van uiteenspattende waterdruppels. Het resultaat: een verbluffende, abstracte soundtrack die ons meenam naar verlaten steden waar machines doelloos brommen, water uit roestige buizen drupt, onbestemde wezens schreeuwen en meteoren de hemel oplichten. Vergis u echter niet: Asmus Tietchens’ universum heeft niets met ‘new age’ te maken, integendeel. Of, om het met zijn eigen woorden te zeggen:

The most dangerous movement since Hitler and Stalin is the New Age Movement. To the hell with it.