De voetbalanalfabeet

Laten we meteen van wal steken en duidelijkheid scheppen: die voetbalanalfabeet uit de titel hierboven, dat ben ik. Eerlijk: voetbal zegt me al mijn hele leven, op een korte dwalende fase na, niks.

De laatste keer dat ik bewust naar een volledige voetbalwedstrijd keek, met voorbedachte rade en al, moet ergens begin negentiger jaren geweest zijn. Ik mocht met een vriendje mee op vakantie, naar de Ardennen. Wij in een tentje, zijn ouders in een plooicaravannetje. Als het regende bakte zijn mama pannenkoeken. De regendruppels die op het dak pletsten maakten hetzelfde geluid als het pannenkoekenbeslag in de hete pan.

Elke avond speelden we met de kaarten. Mijn vriendje, zijn ouders en ik. In tegenstelling tot wat de mama in het keukentje deed, bakte ik weinig van dat kaarten. De mama, de papa en mijn vriendje werden daardoor steevast boos op mij, tijdens het kaartspel. Avonden duurden nooit meer zo lang als toen. Als ik nu het woord ‘wiezen’ hoor krijg ik nog altijd klamme handen.

Op een avond was er een of andere *belangrijke* match. Voetbal interesseerde me toen al geen lor, maar toen ik hoorde dat we de kaarttafel in het plooicaravannetje zouden ruilen voor een plastic tafeltje met dito stoelen in de campingkantine, waar de tv stond, kon mijn geluk niet op. Nooit keek ik meer uit naar en genoot ik van die 90 minuten balspel. Veel herinner ik me er spijtig genoeg niet meer van. Wie weet was het wel echt een belangrijke, legendarische match! De avonden nadien verliepen weer volgens het oude patroon, met kaartenspel en gebonk op het tafeltje van de plooicaravan, verwijten die van drie kanten mijn richting uitkwamen. En opeens was de vakantie voorbij -nooit meer met de kaarten spelen, hoera- en samen met de dagen, jaren, seizoenen ging ook het voetbalgebeuren als vanouds weer aan mij voorbij.

Het zal u dan ook niet verbazen, beste lezer, dat ik de hele WK-gekte haast niet had opgemerkt. Tot ik opeens geconfronteerd werd met een aandoenlijk, haast naïef enthousiasme van enkele vrienden voor alles wat met voetbal te maken had. Langzaamaan geraakte ik gefascineerd door hun fascinatie. Meta-fascinatie! Ik zag een opportuniteit: wat als ik mij daar nu eens in liet rollen, deskundig begeleid door de vrienden-experts? Opdracht: het WK beleven als objectieve waarnemer, wetenschapper, antropoloog.

Het lot hielp me een beetje: niet alleen werd een decennialange televisieloze traditie doorbroken en installeerde mijn favoriete café een TV (speciaal voor het WK), de eerste dag van het toernooi had ik eveneens opeens niets te doen ’s avonds (een geannuleerde afspraak). Daar ging mijn geldig excuus om niet te komen opdagen. Peer pressure deed de rest!

Geduldige vrienden verschaften me deskundige uitleg (‘Niet teveel ineens, alles op zijn tijd!’), verontruste vrienden (op de hoogte middels sociale media) stuurden me berichtjes allerhande: ‘Wie ben je en wat heb je met Stijn gedaan?’, ‘Jij ook, Brutus?’, en mijn persoonlijke favoriet: ‘Ik weet niet of ik je nu compleet geschift of onvoorstelbaar moedig moet vinden!’

Over die eerste match, Brazilië-Kroatië, kan ik kort zijn: vergelijk het met lezen van een Engels of Frans boek als je heel moe bent: je ziet wel woorden en zinnen, maar het verhaal op zich ontgaat je volledig. Zoiets. Ik hoorde veel ‘Ooh!’ en ‘Aah!’ rond mij, dat wel, en ‘Schoon!’, en allerlei analyses die met een ernst als waren het theorieën uit de quantummechanica gevoerd werden. De volgende dag, vrijdag, was ik weer op post. Een man begon al naar mij te lachen toen ik de gelagzaal binnenkwam. ‘Ah, zijt ge er ook weer?’ Ik kreeg uitleg over tactiek en spelregels en namen van spelers – bijna begon het me te duizelen.

Zondag zag ik tijdens Zwitserland-Ecuador een goal die werd afgekeurd, en toen ik ‘maar dat was geen buitenspel!’ riep merkte ik erg bezorgde blikken rondom mij.

Niet dat ik er nu al veel van begrijp. Ho maar, maar was dat een kentering? Ga ik ooit met dezelfde ernst als die anderen een voetbalgesprek op gang kunnen houden?

‘Ge moet oppassen mateke’, aldus een bezorgde vriend. ‘Ge zijt goed bezig, maar niet teveel ineens he! ’t Is nog 4 weken!’

Ja, ik heb nog een hele weg te gaan.

 

 

Advertenties

Het huilende Higgsdeeltje

Onlangs stapte ik de pas gerenoveerde hal van het stationsgebouw in mijn thuisstad binnen. Ik rook er, ondanks de jarenlange werken, nog steeds de geur die zo eigen is aan staatsgebouwen, en zag er mezelf weer rondlopen als kind. Het gerechtsgebouw waar mijn moeder werkte, het postkantoor (toen elk dorp nog een eigen kantoor én code had) en de lokettenzaal in het station. Allemaal met hetzelfde aroma van inkt, papier en sigaretten. Geur: een krachtig middel om herinneringen naar boven te halen.

Ik las vorige week dat een Amerikaans bedrijf (waar anders) een app ontwikkelde die je wekt met het parfum van gebakken spek. Dat klinkt zonder twijfel mooier dan het in werkelijkheid is (toch voor hen die van gebakken spek houden). Voorlopig gaat daar nog niets boven, die werkelijkheid, en ik vermoed dat dat nog even zo gaat blijven.

Maar, stel je voor: instagram met geur. Of een e-book dat naar drukinkt ruikt. De mogelijkheden zouden legio zijn.  Reclamejongens wrijven zich ongetwijfeld al in de handen. Ik stel voor dat we snel beginnen te ijveren voor treinwagons waar de geurapps niet welkom zijn, in navolging van de stiltecoupés in onze buurlanden.

Er gaat overigens weinig boven de geur van drukinkt. Een oom van me had een drukkerij, als kind liep ik graag tussen de puffende en sissende machines die ratelden als reggeasongs, omhuld door de alomtegenwoordige walm van inkt en andere chemicaliën. Daar dacht ik aan toen ik vorig weekend door de verse catalogus van Docville bladerde. Een onverwachte kettingreactie veroorzaakt door onverwacht kleine deeltjes.

Deeltjes, daar ging het over in het op Docville vertoonde ‘Particle Fever’. Hoe wetenschappers in het CERN naar de meest elementaire deeltjes van onze wereld zoeken, met die reusachtige deeltjesversneller. Het ging mijn bevattingsvermogen te boven, maar dat was bijzaak. Het was vooral een ontroerend verhaal hoe mensen halstarrig, koppig en onvermoeid blijven zoeken naar verklaringen. Peter Higgs die met de tranen in de ogen getuige is hoe ‘zijn’ deeltje effectief als ‘echt’ wordt getoond: een pakkend en tegelijkertijd merkwaardig beeld.

Herinneringen, emoties, gebroken harten, kortom: la condition humaine, daarover zwijgen de (meeste) fysici.  Gelukkig zijn er nog schrijvers en andere lieden. Film- en documentairemakers. Muzikanten. En lezers.

Ach. Romantici. Wat zou de wereld zijn zonder romantici?

 

Fatalisme

Wat is dat toch met dat fatalisme van sommige mensen! Hoe ze beweren dat de dagen van gedrukte media, zoals boeken en kranten, definitief geteld zijn, dat er vandaag al geen cd’s meer zouden worden gemaakt, dat wakker worden met een wekkerradio (laat staan met een wekker) enkel nog iets is voor nostalgici nu de i- en andere smartphones ook al niet meer weg te denken zijn van onze nachtkastjes… Ze dwalen, toch?

Hoewel.

Nee, boeken zie ik niet meteen verdwijnen. En kranten die volledig dematerialiseren is toch ook nog niet voor morgen. Al moet ik hier wel toegeven dat ik stilaan overstag aan het gaan ben, ook al gaat er nog altijd niets (of toch weinig) boven de geur van verse koffie, warm brood én die van een nieuwe, nog ongelezen krant. Heerlijk.

Cd’s: twijfelgeval. Ik heb dat nooit een echt aantrekkelijk formaat gevonden. Al is het natuurlijk wel verdomd handig. Maar als ik zou mogen kiezen: geef mij dan maar vinyl (met downloadcoupon, ah ja).

Dan blijft er nog die wekker en wekkerradio.

Dat zal zo rond mijn 14e geweest zijn: iets met een nonkel die via mijn pa lid was geworden van Touring Wegenclub en waarvoor mijn pa dan een wekkerradio cadeau kreeg, die ik dan nog voor hij iets kon zeggen wegkaapte en naast mijn bed posteerde. Zo ging dat (de feiten zijn intussen toch verjaard). Zo ben ik naar Studio Brussel beginnen luisteren – dat waren nog eens tijden, a trip down to memory lane! Ik zette mijn wekker speciaal wat vroeger om naar de columns van Herman Brusselmans en Bob Van Laerhoven te luisteren. Vooral de avonturen van Jean De Amoebe, verteld door Van Laerhoven, wist ik wel te smaken. Maar goed, ik wijk af.

Inmiddels heb ik al enige tijd afscheid genomen van Studio Brussel. Van die wekkerradio ook. Die is vervangen door dat kleine, rechthoekige dingetje waarmee je zowaar ook kan bellen. Stel je voor. En je kan je er ook door laten wekken dus.

Het leuke is dat je kan kiezen met welke muziek je gewekt wilt worden. Enfin,  vandaag was dat wel zeer toepasselijk. Eén van de mooiste stukjes muziek. Vind ik toch. Mocht je zelf zo’n device hebben, en je bent dat geplingel en gepiep beu, en je zoekt iets schoons om mee wakker te worden… Het is maar een suggestie.

Goeiemorgen!

 

Twintig

Vorige zondag liep ik voor de eerste keer 20 kilometer. 20,4 om precies te zijn. Zomaar. Dat het wel ok zat met mijn conditie wist ik eigenlijk wel. Maar dat getal, die 20, dat leek zoiets mythisch.

De dag voordien kocht ik nieuwe loopschoenen. Dat was nodig: mijn oude paar viel zowat uiteen. In de loopschoenenwinkel moest ik de loopband op, zo gaat dat daar. (‘Hé, hé, hier blijven!’, lachte de vriendelijke man van de winkel toen mijn loopje niet helemaal synchroon bleek met het ingestelde tempo.)

Zondag dan. Nieuwe loopschoenen, loopbroek, ipod vol muziek, licht maar stevig ontbijt: check.

Dat begon vlot. En dat bleef ook vlot gaan. Na een halfuur had ik wel al spijt van de trui die ik aanhad, want in de zon was het warmer dan verwacht. (Uit de zon ook, trouwens). Na kilometer 13 begon ik te twijfelen. Voelde ik me niet wat moe? En had ik geen verschrikkelijke dorst? Kon ik niet gewoon een stuk van m’n route inkorten en terug naar huis lopen? Net op dat moment begon met ‘Be above it’ en daarna ‘Endors toi’ Tame Impala’s fantastische plaat ‘Lonerism’. Opeens was ik niet meer moe en liep ik, wat zeg ik, zweefde ik verder. Tweede adem: check!

Die schoenen deden het prima. Die benen ook. Om nog maar te zwijgen van de longen en het hart. En opeens kwam dat mythische getal, twintig, echt in het vizier.

Opmerkelijk: geen echte vermoeidheid, geen pijnlijke benen of knieën. Wel: een belachelijke smile op mijn gezicht waardoor ik minstens één voorbijganger heb doen glimlachen. (Check!)

Twintig komma vier, en ik stond weer voor mijn deur. 1 uur en 45 minuten onderweg geweest.

Fraai was dat! En vooral: meer van dat!

Datzelfde jongetje van 25 jaar geleden.

Wat ik gisterenavond, iets voor 7, te zoeken had in Antwerpen? Vooreerst zocht ik de Groenplaats. Die vond ik, net op tijd. En op de 5e verdieping van een gebouw daar vond ik het auditorium waar ik een afspraak had met een Vlaamse blog- en storytellinggoeroe. Jazeker, dat leest u goed. Geen paniek echter, ik was daar voor mijn werk.

Ik behoorde tot het oudere segment van het publiek. Er werden mopjes gemaakt zoals ‘Marie Thumas, ja, dat zullen de ouderen onder ons nog wel herinneren!’ en ‘Ooit bleef ik bij het zappen hangen bij een concert van Portishead. Ik weet het, dat is muziek van vroeger!’ Volgens mij keek de bloggende man die aan het woord was dan toch wel eens in mijn richting, al kan het ook zijn dat ik me dat inbeeldde. Hoewel. Die andere gastjes zagen er écht wel piepjong uit en ik denk niet dat ze naar Portishead luisterden.

‘Rijdt er hier iemand met een BMW?’, de jonge snaak naast mij knikte grijnzend.

Op zulke momenten besef ik dat ik eigenlijk nog altijd datzelfde jongetje ben van 25 jaar geleden. Ik vind dat geen slechte zaak. (Ook dat ik niet met een BMW rijd, laat staan autoloos ben, vind ik geen slechte zaak.)

Natuurlijk ging het vooral over marketing en verhalen brengen en authenticiteit en emoties. En natuurlijk is het een illusie om te denken dat je als individu ontsnapt aan die mechanismen. En ja, natuurlijk is er een markt voor jongemannen (ja toch?) die geen vlees eten en geen auto hebben en tijdelijk een kat adopteren en hun geld voornamelijk spenderen aan boeken, platen, concerten films, notitieboekjes en vulpeninkt. In sommige middens zijn bepaalde vouwfietsen hetzelfde als een BMW. Of we niet allemaal af en toe last hebben van statusangst?

Na afloop vond ik het station snel terug. Zwak als ik ben liet ik me verleiden tot het kopen van een drankje in een zaak met geen te beste reputatie. Marketing!

De trein die me huiswaarts bracht werd begeleid door Redcap Johan. Over het NMBS-personeel ga ik niet klagen, en Redcap Johan moet zowat de meest vriendelijke en enthousiaste kaartjesknipper van het moment zijn!

Zo pendelde ik, sneller dan verwacht, eigenlijk, terug naar Tobbackville, terwijl ik het droeve maar o zo mooie en ontroerende verhaal van Chunky Rice las.

Even was er wat opschudding, toen de trein onderweg weer vertrok en Redcap Johan nog op het perron stond. Er was een verbaasde blik en er werd geroepen van ‘Ho ho ho!’ en ‘He he!’ en toen hij er in slaagde op de trein te springen lachten en glimlachten de mensen opgelucht, want zo’n trein zonder begeleider, dat is toch maar niks.

Thuis werd ik uitgebreid begroet en geknuffeld. Door de kat. Tot hij vond dat het allemaal te lang duurde eer ik met dat eten op de proppen kwam, en hij me begon te bijten. Of misschien was dat niet uit ongeduld. Alhoewel.

Katten, die doen ongetwijfeld ook aan marketing.

(Midori)

Ik liet vanochtend voor de verandering de fiets thuis. Het was een frisse ochtend. Met wandelen gaat alles een beetje trager en je hebt meer tijd om details op te merken. Het parfum van de mevrouw voor mij. De sjaal van de straatveger, hij laat een stofwolk opwaaien die in mijn ogen prikt. De zon die het stationsgebouw in de verte doet gloeien.

Ik hoorde op de radio het vreemde, droeve maar ook ontroerende verhaal van Midori en haar ouders, die sinds wat er 3 jaar geleden in Fukushima gebeurde 50 km verderop hun vroegere dorp wonen. Echt terugkeren, dat is geen optie. Maar af en toe mogen ze nog eens naar wat hun woonplaats, huis, thuis was. Ze vertelde hoe de natuur verwildert. Wilde dieren die opduiken in de tuin. Straten die langzaam overwoekerd worden.

Die Midori Tagawa, die sprak een aardig woordje Nederlands, maar op de radio zei niemand waarom en hoe. Woont ze hier sinds de ramp? Of is ze al langer hier? Het maakte het verhaal nog aandoenlijker.

“I really like you, Midori. A lot.”
“How much is a lot?”
“Like a spring bear,” I said.
“A spring bear?” Midori looked up again. “What’s that all about? A spring bear.”
“You’re walking through a field all by yourself one day in spring, and this sweet little bear cub with velvet fur and shiny little eyes comes walking along. And he says to you, “Hi, there, little lady. Want to tumble with me?’ So you and the bear cub spend the whole day in each other’s arms, tumbling down this clover-covered hill. Nice, huh?”
“Yeah. Really nice.”
“That’s how much I like you.”

(Haruki Murakami, Norwegian Wood)

De kat die me toesprak.

Doen alsof. Alsof ik me niet erger aan dat gekweel en getater naast mij terwijl ik probeer te lezen. Concentratie! Doen alsof ik die man met het grijze haar niet volgde tijdens het lopen vanochtend (wat, dat volgen dus, resulteerde in de aangename ontdekking van een stuk relatief verborgen bos). Evengoed doen alsof ik er geen probleem mee heb me op zoveel dingen tegelijk te focussen.

Onzin, natuurlijk. In de fotografie leidt zoiets vaak, maar zeker niet altijd, tot een vlak beeld. Of, ruimer gezien, tot iets erger: ruis. Al hoeft ook daar niets mis mee te zijn. Ruis.

Doen alsof dus. Structuur en routine en principes. Tot je op een dag wakker wordt, in de spiegel kijkt, ernstig fronst, en de kat luidop lijkt te zeggen: “Stop nu eens met alles op jezelf te betrekken.”

Het sterke is dat, als je maar lang en hard genoeg doet alsof, dingen echt zo worden. Percepties. Gedragingen. Verwachtingen. Ik zeg maar wat. Dat werkt helaas in twee richtingen. Soms menen we dat we bang moeten zijn. Soms zijn we ook gewoon bang. Een gevolg van iets dat gebeurd is. Een slechte herinnering. En soms worden we bang en houden we ons voor dat het maar best is dat te blijven. Ook al houdt dat ons tegen.

Gisteren zag ik ‘The Reader’, op Canvas. Een hartverscheurende film over de affaire (zoals dat dan heet) tussen Michael, een jonge snaak en Hannah, een iets oudere dame. Over liefde zonder duidelijke vooruitzichten, de troost van boeken, ontroering, vertwijfeling, afscheid, pijn en tranen, tijd. Over de dingen die onherroepelijk voorbij gaan.

Intermezzo: De kat trok een volle emmer water om. Kleine overstroming. Gemor, gedweil, uit concentratie, enzovoort.

En dan, opeens, als ik terug voor de tv sta, zegt de onervaren, 16-jarige Michael:

“I’m not frightened. I’m not frightened of anything. The more I suffer, the more I love. Danger will only increase my love. It will sharpen it, it will give it spice. I will be the only angel you need. You will leave life even more beautiful than you entered it. Heaven will take you back and look at you and say: Only one thing can make a soul complete, and that thing is love.”

Die tv, eigenlijk gaat die zelden tot nooit aan. En zie.

Maar goed. Uiteindelijk is er alleen maar toeval. En afhankelijk van onze gemoedstoestand gaan we daar, al dan niet bewust, betekenis aan proberen te geven, willen of niet.

Nee?